Herinneringen uit het geheugen
door ds. Jenno Sijtsma
Het was 1967 en het jaarlijkse Persbal werd in Leeuwarden gehouden. Jelle Zijlstra, president van de Nederlandse Bank was naar de Friese hoofdstad gekomen om de Friese Persprijs in ontvangst te nemen. Ik moest als bestuurslid met zijn vrouw Hetty de dansvloer op, maar ik was bepaald de danskunst niet machtig. De eerste pasjes lukten wonderbaarlijk goed, maar het vervolg liet veel ter wensen over. Ik deed mijn best, maar ik zweette peultjes. Zij had het meteen door en vroeg: ”Jij bent zeker ook gereformeerd?” Ik antwoordde naar waarheid en zei “Ja” “Maak je maar geen zorgen,” zei ze lief. “Toen Jelle minister werd, moesten wij ook op dansles. Weet je wat je moet doen, gewoon een paar lessen nemen. Daar zul je nooit spijt van hebben. Jelle is ook geen uitblinker op de dansvloer, maar wij hobbelen altijd leuk mee.” We hobbelden gezellig en toen we terugliepen naar de bestuurstafel zei ze ter bemoediging: ”Volgens mij heb je wel talent.” Ik heb haar advies opgevolgd en dansles genomen, maar een groot danser ben ik nooit geworden.
Zomaar een greep uit het alleraardigste boek van oud journalist en voorlichter van het provinciaal bestuur van Friesland Arend Jan Wijnsma. De in Dokkum geboren Kweekschool leerling belandde in 1946, amper 18 jaar oud, min of meer bij toeval in de journalistiek als eerste full-time redacteur van de Nieuwe Dockumer Courant. Na zijn militaire diensttijd, doorgebracht in Indië, trad hij in 1953 in dienst bij het Friesch Dagblad en in 1969 werd hij voorlichter bij de Provincie. Dat Wijnsma een vaardige pen heeft blijkt wel uit de meer dan 25 boeken die hij in de loop der jaren na zijn pensionering in 1988 het licht heeft doen zijn. In zijn voorlaatste boek “Mag ik een roesje” , dat in 2009 verscheen, vertelt hij met verve over zijn talloze ziekenhuiservaringen, want er is aan zijn lijf nogal eens gesleuteld, zoals uit dat boek blijkt. Ook op kerkelijk gebied heeft hij zijn mannetje gestaan, door onder meer 35 jaar redacteur en columnist te zijn van de Friese Kerkbode en later was hij, na de totstandkoming van de PKN, vele jaren redacteur van het kerkblad Geandewei.
Mijn laatste verslag
Onder bovenstaande titel heeft hij een groot aantal van zijn vermakelijke memoires aan het papier toevertrouwd. Hij trok van gebeurtenis naar gebeurtenis en ontmoette daarbij veelal collega-journalisten, want in zijn dagen telde Friesland maar liefst zes dagbladen, vijftien streekbladen en een regionale omroep. Het is begrijpelijk dat ieder voor zich probeerde de ander de primeur af te snoepen, iets dat vandaag nog steeds opgeld doet, maar er was een grote en niet te vergeten gezellige collegialiteit, waar Wijnsma de lezer van vertelt in talloze kostelijke ervaringen. Zo vernemen we van de eerste wadloperij waar een groepje journalisten onder leiding van de ervaren Amelander dominee Douwe van Dijk het eiland Ameland op 28 mei 1957 voor ’t eerst lopend bereikte. “De honderden, zo niet duizenden wadlopers, die na ons zijn gevolgd, zullen zich niet bewust zijn geweest van het feit, dat in 1957 onder aanvoering van een dominee, de weg geëffend werd voor een vrije doortocht naar het beloofde (Ame)land.” Later ondernamen ze nog een wadlooptochtje naar de Engelsmanplaat, de zandbank tussen Ameland en Schiermonnikoog, waar een bevriende piloot van de vliegbasis Leeuwarden het eiland vanuit zijn Piper Cup bombardeerde met flesjes bier. “Aan alle kanten omringd door het zilte nat lieten wij ons het gedropte bier uitstekend smaken” zo herinnert Wijnsma zich. Geweldig amusant is ook het verhaal waarin Johan van Minnen, toen nog de jeugdige verslaggever van Het Vrije Volk (later Ombudsman van de AVRO) in het ootje werd genomen. Ze zaten met een stel journalisten bij elkaar en hem werd door Keimpe Sikkema, (“onze”” Waddenzeedeskundige!) met een stalen gezicht verteld dat de eilanden aan het wandelen waren en zich van het oosten naar het westen verplaatsten. Het was zelfs zo erg, dat op Rottum strandvoogd Jan Toxopeus de hele dag niets anders deed dan met een kruiwagen het zand van de oostkust van het eiland naar de westkust te kruien, omdat het proces van de afkalving groteske vormen aannam. De volgende dag stond dit nieuws in een opvallend kadertje in Het Vrije Volk.
De Kraak
Uiterst boeiend is het verhaal over de gedenkwaardige overval van een groep verzetsstrijders op de gevangenis in Leeuwarden op 8 december 1944, die voor 51 gevangenen de poort naar de vrijheid opende. Wijnsma heeft in het kort er een hoofdstuk aan gewijd, maar hij heeft tevens een heel boek over deze gewaagde overval geschreven. De overval die onder leiding van de door de Duitsers gezochte Piet Oberman plaats vond, was een huzarenstuk van de eerste orde en het boek, met een aanbevelende introductie van Prins Bernhard werd hem door Wijnsma persoonlijk aangeboden bij de opening van het nieuwe Verzetsmuseum in Leeuwarden. Het ligt in de bedoeling volgend jaar op het grote binnenplein van de Blokhuispoort (de voormalige strafgevangenis) in Leeuwarden een openluchtspel op te voeren, waarin de overval van 1944 wordt nagespeeld. Het script voor dat openluchtspel is (mede) ontleend aan het door Wijnsma geschreven boek “De Kraak”. Dat boek bevat de meest waarheidsgetrouwe weergave van de opzienbarende verzetsdaad. Voor de opvoering van dit openluchtspel wordt op het binnenplein van de gevangenis een tribune gebouwd met maar liefst 4500 zitplaatsen. De eerste opvoering van het spel is gepland op 29 augustus 2013.
Kopen, beslist doen
Er valt veel meer over dit boek, met herinneringen opgediept uit het geheugen, te vertellen. Maar ik raad de lezer van deze regels aan het boek aan te schaffen. Vooral oudere lezers, en zeker de enigszins bejaarde Friezen en Friezinnen zullen veel plezier aan dit alleraardigste boek beleven. Om de prijs hoeft niemand het te laten.
Mijn laatste verslag, door Arend Jan Wijnsma
Prijs: € 18,00
Aantal pagina’s: 210
Bindwijze: Paperback





