De toekomst van God
Door ds. Jenno Sijtsma
In mijn optiek behoort een christelijke geschiedbeschouwing te staan in de traditie van de oudste , dat is de augustiniaanse, geschiedverklaring. Dat is de interpretatie die ‘achter’ de historie een metahistorie ontwaart, dat is letterlijk een geschiedenis `achter’ de geschiedenis. De aardse gebeurtenissen zijn een gevolg en een weerspiegeling van metahistorische gebeurtenissen achter de schermen van de wereldgeschiedenis. Dat zijn de schermen die het immanente (`binnenwereldlijke’) scheiden van het transcendente(`bovenwereldlijke’). De loop van de `binnenwereldlijke’ dingen wordt in belangrijke mate bepaald door `buitenwereldlijke’ factoren.
Dat is mijns inziens een belangrijk citaat uit het boek `De toekomst van God’, ontwerp van een eschatologie, van de hand van prof. Dr. Willem J. Ouweneel. Het is het tiende deel in zijn Evangelisch-Dogmatische Reeks waarin allerlei aspecten van de toekomst van de wereld zoals God die ontworpen heeft en door Hem bewerkstelligd wordt, uitvoerig aan de orde komen. Ik zeg uitvoerig, want dat mag van Ouweneel wel worden gezegd: steeds opnieuw wordt er door hem niet alleen nadrukkelijk geformuleerd, ook in andere bewoordingen weet hij de besproken gedachte of zaak te herhalen, zodat de lezer er niet aan ontkomt terdege te vernemen en te bevatten wat de bedoeling van de auteur is. Dat daarbij ook in alles de Schrift aan de orde komt is vanuit de vorige delen zeer bekend.
Geschiedenis en heilsgeschiedenis
Alles wat wij meemaken en aan alles wat wij vanuit onze ervaring kunnen terugdenken, alles wat wij vanuit leerboeken kunnen leren ten opzichte van de tijd, de geschiedenis die achter ons ligt, heeft vanuit ons christen-zijn een meerwaarde. Want `alle geschiedenis is vanuit Gods raad bezien heilsgeschiedenis’. Dat betekent ook dat `het heil waartoe God in de voorbije eeuwigheid besloten heeft, stap voor stap zichtbare en tastbare werkelijkheid in de geschiedenis wordt, totdat het in de komende eeuwigheid ten volle gerealiseerd zal zijn in de gestalte van de Heiland, de `heilverwerkelijker’, Jezus Christus. En het is vanuit die zekerheid logisch te begrijpen dat Ouweneel steeds naar de Bijbel terugkeert en de Bijbelteksten veelvuldig citeert, omdat alleen daar beschreven wordt en te vinden is wat God met de toekomst van mens en wereld voorheeft. Niet in de zin dat wij exact kunnen vertellen hoe God de toekomst van mens en wereld invult, maar wel dat God zich bekendmaakt in de Schrift door middel van profetieën, waarvan vele inmiddels in alle voorlopigheid zijn vervuld.
Leven na de dood
Ondanks alle materialisme en de bewering dat de mens alleen maar uit stof bestaat, niet meer is dan een natuurkundig product, is er de laatste tijd een opleving en belangstelling gegroeid voor een leven na de dood, en daarmee de vraag naar de tussentoestand. Velen gaan ervan uit dat als de mens sterft de ziel naar de hemel gaat, maar dit is onder meer de visie van Plato, die het lichaam beschouwde als de kerker, waarin de ziel gevangen zat, een mening die zelfs Calvijn nog voorstond. Terecht zegt Ouweneel dan ook dat de Bijbel spreekt over een opstanding uit de doden, en dat betekent dat pas bij de opstanding de gelovige met onsterfelijkheid bekleed wordt. `Als een rechtvaardig mens sterft, gaat hij, als geestelijk levende, over tot een intensere vorm van leven, om in de opstanding het hoogste leven te bereiken.’ Het Nieuwe Testament openbaart dat de gelovige na zijn sterven bij en met Christus zal zijn, in afwachting van Christus’ komst in de voleinding.
Profetieën
Hoe boeiend ook, ik ga voorbij aan de bespreking van het substitutionalisme, de visie dat de kerk in de plaats van Israël gekomen en al de excessen die deze verkeerde theorie en theologie in de loop der eeuwen met zich mee heeft gebracht. Het is voor mij onbegrijpelijk dat op grond van Gods Woord mensen en kerken nog steeds menen dat Gods beloften, eens aan Abraham en in hem aan Israël gegeven, niet meer gelden. Ik verwijs hier heel graag naar het vorige deel in deze reeks `Het verbond en het koninkrijk van God’, waarin Ouweneel op onderscheiden plaatsen glashelder en loepzuiver hierover informeert.
Hier wijs ik de lezer liever op de bespreking van de Oudtestamentische profetieën, waar Ouweneel die veelal letterlijk neemt, ook al schrijft hij nadrukkelijk: geen enkele Bijbelse profetie is al in haar geheel en volledig vervuld. Ook de profetieën die duidelijk over de eerste komst van de Messias handelen zijn nooit geheel en al vervuld. `Zij wijzen altijd mede vooruit naar de komst van het messiaanse rijk.’
De Antichrist
Uiterst belangrijk en niet minder boeiend is het hoofdstuk over de Antichrist. Ouweneel maakt duidelijk dat de antichrist niet alleen tegen Christus en zijn volk is, maar dat de antichrist in de plaats van de ware Christus treedt,` zich voordoet alsof hij de ware Messias is; hij treedt op alsof hij het Lam is, maar spreekt als de draak.’ Ook is Ouweneel van mening dat de ongelovige massa van het Joodse volk de Antichrist zal aannemen alsof hij de Messias is, en hij aarzelt niet te zeggen dat de Antichrist weleens voor de hele religieuze wereld acceptabel zou kunnen zijn. Ook de economische macht zal de Antichrist in handen krijgen en Openbaring geeft aan dat niemand zal kunnen verkopen of kopen dan alleen de aanhangers van het beest. Het zal een vreselijke, afschuwelijke tijd zijn, waarin er geen lauwe christenen meer zullen zijn maar `alleen vast overtuigde en toegewijde Jezusbelijders.’ Zij zullen hun geloof en beleven veelal met de dood moeten bekopen.
Het chiliasme
Ook hierover heeft Ouweneel in het vorige deel al veel geschreven, maar nu gaat hij in op meer recente ontwikkelingen in het chiliasme of millennialisme, de leer van het duizendjarig rijk. Velen, ook in de kerk, hebben niets met de leer van het duizendjarig rijk, het wordt weggeredeneerd en zelden of nooit wordt er in de eredienst aandacht aan besteed. Mannen als Augustinus, Hiëronymus, Luther en Calvijn moesten er niets van hebben, en wezen het chiliasme af. Datzelfde gold voor theologen als Abraham Kuyper, Herman Bavinck, en Gerrit Berkouwer en in 1872 besloot de Christelijke Gereformeerde Kerk mar liefst dat `niemand zal toegelaten zijn te leeren of te verbreiden het gevoelen, dat Christus 1000 jaar zichtbaar en lichamelijk zal regeeren. Niettemin valt het toch niet te ontkennen, als men althans niet door exegetische vooroordelen gehinderd wordt (aldus Ouweneel), dat de duizend jaren van Openbaring 20 : 1 – 7 op de in Openbaring 19 beschreven paroesie, de wederkomst van Christus volgen. Maar, zo schrijft Ouweneel, `zolang men geen bewijzen voor het tegendeel heeft, moet men er juist van uitgaan dat de profetieën in Openbaring in grote lijnen chronologisch zijn, en dat het dus niet aangaat de duizend jaren vóór de paroesie te laten beginnen.’
Wie eenmaal zover in dit magistrale boek is gekomen dient zich te realiseren dat er in het wat volgt veel van de lezer wordt gevraagd. Bladzijde na bladzijde gaat Ouweneel in op beweringen en visies van theologen van vroeger en nu, die het chiliasme afwijzen. Het duizelt de lezer, mij althans wel, om het allemaal te bevatten is veel inspanning nodig, en bladzijde na bladzijde weerlegt Ouweneel allerlei bezwaren tegen de prechiliastische uitleg. Uiteindelijk komt het volgens hem, eenvoudig gezegd, Bijbels gezien hierop neer: Als Christus terugkeert op de wolken des hemels zal Hij de vijanden die tegen Hem verzameld zijn vernietigen en de zijnen verlossen. Hij zal het verdrukte `overblijfsel’ van Israël bevrijden en de gestorven heiligen zullen opstaan. Dat is het begin van het duizendjarig rijk dat Christus zal oprichten in macht en heerlijkheid. Na dat messiaanse vrederijk komt het einde, en zal de dood teniet gedaan zijn en geeft Christus het koninkrijk aan de Vader over en zal Hij zich ook zelf onderwerpen aan God. Er komt een nieuwe schepping , waarin God alles in allen zal zijn.
De paroesie is nabij
Jezus leert ons op de tekenen der tijden te letten en Ouweneel is er op grond van die tekenen van overtuigd dat de wederkomst van Christus nabij is. Want, zo zegt hij, `als Israël – hoofdzakelijk in ongeloof – terugkeert naar zijn land en daar een eigen staat sticht, als daar een messiasbelijdend `overblijfsel’wordt gevormd, als er zelfs sprake is van tempelbouw in Jeruzalem én van de opkomst van een groot westers machtsblok dat met Israël bevriend is, dan is de Antichrist nabij en daarmee is ook de paroesie nabij.’ En die zal plaatsvinden in Jeruzalem.
Hier wil ik het bij laten. Er is veel meer over dit boek te vertellen, dat spreekt voor zich Oneindig veel meer. Al met al is het een fascinerend boek waar ik wekenlang elke dag enkele uren in heb zitten lezen en studeren. Het feit dat Ouweneel bovenal een Schriftgeleerde is, die in alle theologiseren wil luisteren naar de Schrift, maakt dat ik dit boek zeker ook in handen wens van meelevende christenen.
De toekomst van God, door Dr. Willem J. Ouweneel
Prijs € 49,95
Aantal pagina’s: 672
Bindwijze: Gebonden





